Hoe moeten wij als Wmo consulenten omgaan met het begrip “algemeen gebruikelijk” binnen de Wmo 2015?

Antwoord

Het begrip “algemeen gebruikelijk” bestaat al heel lang. In de AAW (de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet) uit 1976 komt het begrip al voor en later ook in de Wvg (Wet voorzieningen gehandicapten) uit 1994.

De Wmo 2015 noemt het begrip algemeen gebruikelijk niet in de wettekst. Maar in de Memorie van Toelichting komt het wel voorbij.

De MvT op art. 2.3.5 lid 3 zegt er dit over:.

“Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn”.

Veel consulenten die al langer meedraaien in het vak zullen in de loop der jaren hebben gemerkt dat steeds meer voorzieningen als algemeen gebruikelijk worden gezien. Denk aan de verhoogde toiletpot. In, met name de oude Wvg tijd, een voorziening die veelvuldig werd verstrekt maar die later als algemeen gebruikelijk werd gezien. De elektrische fiets (vroeger een fiets met hulpmotor) was ook zo’n voorziening die in eerste instantie vaak werd verstrekt of vergoed maar later als algemeen gebruikelijk werd aangemerkt.

Er is een 3-tal criteria op basis waarvan beoordeeld moet worden of iets als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt:

Algemeen gebruikelijk zijn voorzieningen die:

  • In de reguliere handel verkrijgbaar zijn;
  • Niet extreem duur zijn, en daardoor voor veel mensen financieel onbereikbaar;
  • Niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met beperkingen.

Deze criteria zijn in loop van vele jaren in de rechtspraak ontwikkeld. Het kan dus zo zijn dat een voorziening in de loop van de tijd niet meer aan alle criteria voldoet, als hij makkelijker beschikbaar en betaalbaar wordt. Maar dan nog kan die voorziening naar zijn aard juist wel voor mensen met een handicap zijn bedoeld. Een voorbeeld is een eenvoudige rolstoel, die niet duur is en ook via bouwmarkten verkocht wordt.

In de uitvoering van de Wmo hanteren we de bovengenoemde criteria bij het beoordelen van aanvragen van cliënten. Daar is op zich niets mis mee, als we maar heel goed kijken of er in een individueel geval geen uitzondering gemaakt moet worden.

Een voorbeeld: Erik is 45 jaar en heeft een longaandoening waardoor hij niet meer in staat is op een gewone fiets te rijden. Hij kan daardoor niet meer zijn familie bezoeken, naar winkels gaan of andere sociale activiteiten uitvoeren. Hij wil daarom graag een elektrische fiets. Het staat niet ter discussie of Erik medisch gebaat zou zijn bij een dergelijke fiets. Dat is voor iedereen helder. Aan de hand van de criteria bestempelen we zo’n fiets op zichzelf als algemeen gebruikelijk. Want: in de vrije handel (nieuw en tweede-hands) verkrijgbaar, niet specifiek voor mensen met een beperking en in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten.

Maar nu moeten we voorzichtig zijn. De aanvraag van Erik op grond hiervan klakkeloos afwijzen is te kort door de bocht gefietst. We moeten namelijk heel goed onderzoeken of in het individuele geval van Erik deze fiets ook daadwerkelijk algemeen gebruikelijk is.

De kernvraag is dan eigenlijk of Erik deze fiets ook zonder zijn beperking zou kunnen aanschaffen, gezien zijn situatie. En daarbij kunnen de kosten in relatie tot het inkomen een rol spelen. Misschien heeft Erik door zijn ziekte of handicap wel meerkosten die maken dat hij onder het minimuminkomen duikt. Het kan dan onjuist zijn om aan te nemen dat Erik zijn vervoersprobleem op eigen kracht zou kunnen oplossen.

In het geval van Erik zullen we dus moeten kijken naar zijn individuele draagkracht en persoonlijke omstandigheden. En dan zou het zomaar kunnen zijn dat een fiets, die op zichzelf gebruikelijk is, in het geval van Erik toch Wmo maatwerkvoorziening verstrekt wordt.

In de Wmo 2015 staat in artikel 2.3.2 stap voor stap beschreven waar een zorgvuldig onderzoek aan moet voldoen. Iedere stap in dat artikel benadrukt de individuele benadering van de vraag van de cliënt. En zo moeten we ook het onderzoek naar de vraag of een voorziening in een concreet geval algemeen gebruikelijk is benaderen: als máátwerk en niet als eenheidsworst.

Datum: 14 mei 2018