Afbakening Wmo en Wlz

Vraag

Een cliënt heeft een Wmo melding gedaan voor een aantal maatwerkvoorzieningen. Hij heeft ook een Wlz indicatie. Ik wil onderzoeken of de cliënt voor zijn vragen onder de Wmo valt of onder de Wlz. Waar moet ik bij mijn onderzoek op letten?

Antwoord

Hier speelt een afbakeningskwestie tussen de Wmo en de Wlz. In artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 staat dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren als de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Dat zou heel zwart-wit kunnen worden vertaald als: iedereen met een Wlz indicatie valt niet onder de Wmo. Maar zo kort door de bocht is het niet. Bij afbakeningskwesties tussen de Wmo en de Wlz moet u een aantal zaken zorgvuldig onderzoeken. Hieronder vindt u vragen die u tenminste moet stellen om tot een goed onderbouwd besluit te komen.

Toelichting

  1. Wat voor Wlz indicatie heeft de cliënt?

Er zijn een aantal verschillende ‘smaken’ die verder in dit stuk worden uitgewerkt. U kunt het beste de cliënt vragen om een afschrift van zijn indicatiebesluit. Hierin staat welke zorg de cliënt nodig heeft. Het gaat hierbij óf om een indicatie waarbij de zorgzwaarte wordt uitgedrukt in een zorgprofiel (bij cliënten die in een instelling wonen) óf een indicatie in losse functies ( voor cliënten die thuis wonen).

Een zorgprofiel kunt u zien als een taart die uit verschillende punten bestaat. Afhankelijk van de zorgbehoefte van de cliënt is een klein of een groter stuk bestemd voor persoonlijke verzorging, verpleging, behandeling, begeleiding, kortdurend verblijf en verblijf. De verschillende stukken leveren samen een compleet pakket op wat aansluit bij de zorgvraag.

Bij cliënten die thuis wonen met Wlz zorg kan deze complete taart niet worden geleverd, zij nemen alleen losse stukken af. Dat is logisch omdat behandeling en verblijf er niet meer inzitten.

  1. Waar woont de cliënt?

Relevant is dan om te weten of de cliënt intramuraal in een Wlz instelling woont of dat hij in zijn eigen leefomgeving woont.

  1. In het geval dat de cliënt in een instelling woont: ontvangt hij vanuit zijn Wlz indicatie behandeling?

Met behandeling wordt zorg bedoeld die bijvoorbeeld door een verpleeghuisarts wordt geleverd. In die gevallen heeft de cliënt geen huisarts meer maar wordt er vanuit de instelling voor medische behandeling gezorgd. De Wlz is dan verantwoordelijk voor alle zorg en hulpmiddelen. De Wmo is er voor deze groep cliënten alleen voor vervoer.

In het geval dat de cliënt ook in een instelling woont maar géén behandeling ontvangt en dus zijn eigen huisarts heeft, valt hij voor hulpmiddelen bij het zich verplaatsen onder de Wmo 2015. Concreet gaat dat om rolstoelen en vervoersvoorzieningen.

Dit is dus een uitzondering op het eerder genoemde artikel 2.3.5. lid 6 Wmo 2015 waarin staat dat de Wlz voorliggend is op de Wmo. In artikel 8.6a Wmo 2015 staan drie uitzonderingen beschreven en één daarvan is de regel dat cliënten die géén behandeling ontvangen vanuit de instelling voor hulpmiddelen ter verbetering van hun mobiliteit onder de Wmo 2015 vallen.

  1. In het geval dat de cliënt in zijn eigen leefomgeving woont, op welke manier verzilvert hij de Wlz indicatie?

- Op basis van een persoonsgebonden budget (pgb);

- Op basis van een volledig pakket thuis (vpt);

- Op basis van een modulair pakket thuis (mpt);

- Op basis van een combinatie van een vpt en een mpt.

Het pgb: mocht de cliënt een Wlz indicatie hebben en dit in de vorm van een pgb verzilveren, blijft de Wmo aan zet voor wat betreft woonvoorzieningen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen. De losse functies (taartpunten) persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding worden vanuit de Wlz betaald. Ook hulp bij het huishouden zit in het pgb. De cliënt regelt zelf zijn zorgaanbieder en via de SVB vindt de uitbetaling plaats.

Het vpt: een zorginstelling levert alle zorg aan de cliënt thuis alsof hij intramuraal woont en het Zorgkantoor betaalt de instelling rechtsreeks uit. In een ‘vpt –taart’ zitten alle zorgfuncties en ook maaltijden en huishoudelijke hulp. Mensen met een vpt wonen vaak in een aanleunwoning bij een instelling en kunnen wel een beroep op de Wmo doen voor rolstoelen, woonvoorzieningen en vervoer.

Het mpt: Dit zijn losse zorgfuncties (taartpunten) voor persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding. Ook hierbij geldt dat de Wlz verantwoordelijk is voor alle zorg én sinds 1 april 2017 ook voor hulp bij het huishouden. Voor rolstoelen, woonvoorzieningen en vervoer is de Wmo verantwoordelijk.

Als u antwoord heeft op de bovenstaande vragen, kunt u in iedere situatie bepalen of het om Wmo of Wlz zorg gaat.

Datum: 4 december 2017