blogs

Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen

28-09-2015

We wisten al dat een betere inkomenspositie bij ouderen samengaat met een betere gezondheid, beter cognitief functioneren en een langer leven. Maar de achterliggende oorzaken waren niet geheel duidelijk. Het kan zijn dat die ouderen ook in het verleden al gezonder waren en beter cognitief functioneerden, daardoor een hoger arbeidsinkomen hadden, met als gevolg een betere financiële positie in hun latere leven.

Maar er is nu nieuw Amerikaans onderzoek dat er op wijst dat veranderingen in de hoogte van de sociale uitkeringen voor ouderen (in het kader van de Social Security Act) in verband gebracht kunnen worden met hun cognitieve functioneren. De onderzoeksresultaten werden gepubliceerd door het National Bureau of Economic Research.

De onderzoekers gebruikten een databestand met gegevens over de uitslagen op testen voor cognitief functioneren van ouderen. Het ging om eenvoudige rekenvaardigheden, korte termijn-geheugen en om algemene kennis. Op basis van die gegevens kon ook een score voor dementie worden vastgesteld.

Omdat ze ook de hoogte van de sociale uitkeringen kenden, konden ze berekenen wat de effecten waren van veranderingen daarin als gevolg van wettelijke besluiten. Dat speelde zich af in de jaren 70, toen de hoogte van de uitkeringen enkele keren werd bijgesteld.

Het blijkt dan dat een verhoging van de ouderdomsuitkering met 1000 dollar over een jaar leidt tot een verbetering van het korte termijn werkgeheugen met 2,2 procent en een verbetering in algemene kennis van 1,1 procent. En bovendien tot een afname van het aantal ouderen met dementie (1,9 procent).

Deze resultaten bevestigen nog eens dat mensen armoede en bestaansonzekerheid slecht verdragen. De onderzoekers noemen eerder onderzoek dat laat zien dat armoede en financiële onzekerheid stressvol zijn en de kans op depressie vergroten. Van chronische stress en depressie is bekend dat ze leiden tot verhoogde niveaus van corticosteroïde, die veranderingen in de hippocampus teweegbrengen. En die verklaren de achteruitgang in geheugen en cognitieve functies.

De resultaten liggen geheel in de lijn van onderzoek dat uitwijst dat armoede samen gaat met gedrag dat we geneigd zijn aan te zien als oorzaak van die armoede. Het gaat er om dat mensen die arm zijn vaak minder goed op hun gezondheid passen, minder goed afspraken nakomen, minder productief zijn  en minder goed met geld kunnen omgaan. We denken dan al snel dat ze door zulk gedrag arm zijn geworden.

Maar de aanwijzingen stapelen zich op dat dit juist gevolgen zijn van armoede en bestaansonzekerheid. Die verhogen het chronische stressniveau en daardoor gaan mensen slechter functioneren[1]. Vandaar de pleidooien om armoede te bestrijden door armen geld te geven in plaats van ze te “begeleiden”. En vandaar de pleidooien voor een onvoorwaardelijk basisinkomen.

Dit alles raakt natuurlijk de discussie over de verzorgingsstaat. Want het wordt steeds duidelijker dat die ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog van toenemende sociale zekerheid, gericht op het voorkomen van armoede en grote ongelijkheid, niet zomaar een bevlieging was.

En het werpt een ander licht op de huidige politiek van versobering van de sociale zekerheid, bezuinigingen in de zorg en tolereren van hoge en langdurige werkloosheid.