blogs

Zijn we akkoord over inburgeringsonderwijs? Stel nu de waartoe-vraag!

11-10-2017

dr. Christa Nieuwboer

Erina woont al 15 jaar in Nederland en neemt nu deel aan een cursus die gericht is op een actievere deelname aan de samenleving. Haar reactie na zeven maanden: “Deze cursus opent mijn denken”. Voor haarzelf en de cursusleiders en -ontwikkelaars een prachtige uitspraak. Want het betekent dat een vrouw, die zich vele jaren lang terugtrok in de voor haar vertrouwde, directe omgeving van haar familie, nu naar buiten begint te gaan en haar plek in de wereld begint te zoeken. Eerdere cursussen hebben haar daarin niet verder geholpen.

In het regeerakkoord wordt gesproken over een simpeler en activerend systeem van voorzieningen voor statushouders en het bevorderen van zelfredzaamheid van nieuwkomers. Dat is een belangrijke koerswijziging ten opzichte van het voorgaande beleid, waarin de statushouder aan zijn eigen zelfredzaamheid werd overgelaten - wat al een niveau van inburgering vereiste dat hij vaak nog niet bereikt kon hebben. Inburgering is een complex vraagstuk, waarin allerlei politieke, maatschappelijke, onderwijskundige en praktische overwegingen een rol spelen. De overheid gaat over ‘het wat’: wettelijke kaders, verblijfsrecht, randvoorwaarden, budgetten. De uitvoerende organen gaan over ‘het hoe’, zoals begeleiding, onderwijs. Maar het is nu, bij de ontwikkeling van nieuwe methoden, vooral nodig om de ‘waartoe’-vraag te stellen! Laten we bij het ontwikkelen van ‘nieuwe midden en werkwijzen die in alle gemeenten toepasbaar zijn’ in elk geval gebruik maken van bestaande kennis. Wat zijn de doelen van inburgeringsonderwijs? Want hiervan is uiteraard alles afhankelijk: de kwaliteit, de effectiviteit èn de handhaving.

Antwoorden zijn te vinden in de ervaringen van representatieve groepen van statushouders en migranten zelf; zij kunnen immers het beste vertellen wat de succes- en faalfactoren zijn van hun integratie. Daarin spelen het al dan niet aanwezige economisch, cultureel en sociaal kapitaal een belangrijke rol. We mogen bijvoorbeeld, gezien de minimale deelname van meisjes in het onderwijs in sommige herkomstlanden, het Nederlandse onderwijsniveau niet als basis veronderstellen voor alle statushouders. Een one-size-fits-all-benadering is dan ook gedoemd te mislukken.

Laten we bovendien niet doen alsof we het wiel opnieuw moeten uitvinden! We zijn niet het enige land ter wereld ooit met vragen over migratie en integratie. Uit de literatuur blijkt dat het bij integratiedoelen kan gaan om allerlei aspecten van economische zelfstandigheid, politieke participatie, burgerlijke verantwoordelijkheid, maatschappelijke zelfredzaamheid, deelname aan het culturele leven, optimaal gezinsfunctioneren en individuele ontplooiing. We verwachten (vaak impliciet) van inburgeraars dat zij al die ballen in de lucht houden voordat we hen als volwaardige burgers beschouwen (zie illustratie). Dat is een immense opgave. De Nederlandse maatschappij is heel erg ingewikkeld.

Tegelijkertijd hebben alle volwassenen al een basis. Volwassenen zijn immers allemaal al gesocialiseerd in een maatschappij, waarmee soms kleine, soms grote verschillen met de Nederlandse situatie bestaan. De mate waarin de integratiedoelen al dan niet binnen handbereik liggen is dan ook erg gevarieerd. Het is in elk geval ondoenlijk om aan al deze integratiedoelen even intensief te werken en ze binnen twee jaar te toetsen. Als we dat zouden proberen, stuiten we op normatieve vragen, waarvoor geen vast antwoord bestaat: wat is goed opvoeden? wanneer ben je tolerant genoeg? wat zijn de grenzen van mondigheid? Daarnaast ontstaan ethisch/juridische problemen: waarom moeten statushouders zich in hun burgerschap bewijzen en autochtone Nederlanders niet? En praktisch: wat kun je eisen binnen een termijn van 2 jaar? kun je een band met de Nederlandse samenleving eigenlijk wel ‘afdwingen’? Hoe zorgen we ervoor dat ook ‘zwakkere’ inburgeraars ondersteuning krijgen bij integratie?

De reflex kan dan (opnieuw) zijn om het aantal doelen te beperken tot zaken die wel toetsbaar lijken: taalbeheersing op A2-niveau, kennis over de Nederlandse samenleving. Het regeerakkoord verlaat die positie nog niet voetstoots. Er is immers een onuitgesproken wens om dergelijke toetsing te standaardiseren en te automatiseren. Dat spaart geld en is uniform. Maar dat is een oplossingsrichting die ertoe leidt dat de begeleiding versmalt, mensen met minder leerervaring uitsluit, mensen overvraagt of juist onderschat en de andere integratiedoelen hindert. Mensen die zo benaderd worden gaan zich juíst richten op de eigen, veilige, groep, waardoor inburgeringsonderwijs averechts zal werken.

Een veel betere oplossingsrichting is dan ook, om doelen te hanteren die voor de inburgeraar in de eigen context relevant zijn: de participatieve benadering. De enige juiste vraag is: neem je actief deel aan de Nederlandse samenleving? Benut de onderwijskundige kennis over volwasseneneducatie die ruimschoots aanwezig is om dit proces goed vorm te geven, tot en met het kiezen van de juiste toetsvorm. Hiermee worden de inzet, de motivatie en de voortgang vastgesteld en reële doelen afgesproken. Geef nu echt ruimte voor de kwaliteit van integratie door de inburgeraars in staat te stellen zich te ontwikkelen, vanuit hun eigen mogelijkheden èn tot de toppen van hun vermogen. Dit vraagt maatwerk, wat vaak verward wordt met subjectiviteit of willekeur. Het tegendeel is waar: iedere inburgeraar wordt juist maximaal uitgedaagd! De kwaliteit van dit onderwijs kan en moet geborgd worden door eisen te stellen aan de begeleidende professionals. Organiseer professioneel begeleide leergroepen, gebruik een passende methodiek en participatieve didactiek, waarin taalverwerving logisch onderdeel is van sociale doelen. De sociaal-agogische kennis daarover is beschikbaar en de wetgeving voor het verbinden van volwasseneneducatie met het sociaal domein is er ook al.

Erina, de vrouw die aangaf dat de cursus haar denken opent, is niet het enige, maar wel een bijzonder voorbeeld: met een ondersteunende benadering zijn de echte integratiedoelen wèl te bereiken. Bouw dit dus vanaf het begin in. Alle bouwstenen zijn aanwezig om een stevige route voor inburgeringsonderwijs aan te leggen en een waardig gidsland te worden op het gebied van inburgering. Begin nu zo snel mogelijk met het toepassen van beproefde methoden en het opleiden van de integratiedocent, die in de gemeente met statushouders aan de slag gaat.

Auteurs: Christa Nieuwboer, pedagoog en Rogier van ’t Rood, onderwijskundige

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws over het sociaal domein. Abonneer op onze gratis nieuwsbrief.

Abonneer